Er leeft in de mens een verlangen naar iets dat groter is dan wat hij dagelijks kan zien en begrijpen. Een stil verlangen naar een werkelijkheid die dieper reikt dan het zichtbare, naar een licht dat niet door onze zintuigen wordt gevangen en naar een waarheid die ons bestaan in een groter geheel plaatst.

Misschien herkennen wij dat verlangen juist op de momenten waarop het gewone leven even niet voldoende lijkt. Wanneer wij verwonderd naar de sterrenhemel kijken. Wanneer stilte ons dieper raakt dan woorden kunnen doen. Wanneer wij ons plotseling bewust worden van de vergankelijkheid van alles wat ons omringt. Dan kan er in ons een vermoeden ontwaken:

er moet meer zijn.

De mens heeft altijd gezocht naar die andere werkelijkheid. Soms door kennis, soms door gebed, meditatie of mystiek, soms door te proberen de grenzen van het gewone bewustzijn te doorbreken. De vormen verschillen, maar daaronder klinkt steeds dezelfde stille vraag:

Wat is de werkelijkheid waarin wij werkelijk leven? En waar kan ik het Goddelijke ontmoeten?

Ook binnen het gnostische gedachtegoed neemt dit verlangen een bijzondere plaats in. In verschillende gnostische geschriften wordt de mens voorgesteld als iemand die in de wereld leeft, maar in zijn diepste wezen afkomstig is uit een hogere, geestelijke werkelijkheid. Een vonk van het Licht is als het ware verborgen in de mens en wacht erop om opnieuw herkend te worden.

Gnosis betekent dan niet alleen kennis in de gewone betekenis van het woord. Prof. Gilles Quispel (1916-2006; Nederlands classicus een hoogleraar; onderzoeker van de gnosis) noemde gnosis: kennis van het hart. Het gaat om een innerlijk herkennen: het ontwaken van het bewustzijn voor datgene wat altijd al in ons aanwezig was, maar door de drukte en vanzelfsprekendheden van het aardse bestaan verborgen kan blijven.

De weg van de gnosis is daarom niet in de eerste plaats een vlucht uit de wereld. Het is een ontwaken midden in de wereld. De mens leert door het zichtbare heen iets van het onzichtbare te herkennen. Hij ontdekt dat de werkelijkheid meer omvat dan wat zijn ogen zien en zijn verstand kan bevatten.

En juist daar ontstaat een bijzondere verbinding met het christelijke geloof.

Ook het christendom spreekt over een Licht dat in de wereld gekomen is en dat door de duisternis niet is overwonnen. In het Johannesevangelie lezen wij: “Het Licht schijnt in de duisternis.” Het is een Licht dat niet alleen buiten ons is, maar dat ons roept, ons aanraakt en ons uitnodigt het opnieuw te herkennen.

Misschien kunnen wij daarom het menselijke verlangen naar ‘andere werelden’ verstaan als een verlangen naar dit Licht. Niet noodzakelijk naar een andere plaats, maar naar een andere wijze van zien. Niet naar een werkelijkheid die wij moeten ontvluchten, maar naar een werkelijkheid die zich voor ons kan openen wanneer wij innerlijk wakker worden.

En juist hier krijgt de Heilige Eucharistie (H. Mis) haar bijzondere betekenis.
Wanneer wij in de H. Mis bijeenkomen, laten wij voor een ogenblik onze gewone bezigheden en beslommeringen achter ons. Wij richten onze aandacht op dat wat groter is dan wijzelf. Wij worden stil. Wij luisteren. Wij openen ons.

Brood en wijn liggen voor ons op het altaar: eenvoudige, aardse tekenen. En toch belijden wij dat daarin een mysterie besloten ligt dat ons verstand te boven gaat. Het aardse wordt drager van het goddelijke. Het zichtbare wijst naar het onzichtbare.

Hier ontmoeten het christelijke en het gnostische verlangen elkaar op een bijzondere wijze. Beide kennen het besef dat achter het zichtbare een diepere werkelijkheid aanwezig is en dat de mens geroepen is zich daarvoor te openen. Het verschil ligt vooral in de wijze waarop deze werkelijkheid wordt verstaan: het christendom spreekt over Gods genade en Zijn komst tot de mens; de gnostische tradities benadrukken vaak het ontwaken van een verborgen geestelijk weten.

De H. Mis kan dan worden beleefd als meer dan een herdenking. Zij kan voor ons een ogenblik worden waarin het uiterlijke en het innerlijke elkaar raken, waarin teken en werkelijkheid, aarde en hemel, mens en God in een mysterievolle verbondenheid samenkomen.

Misschien is dat wel de diepste betekenis van ons verlangen naar ‘andere werelden’: niet dat wij deze wereld moeten verlaten, maar dat onze ogen worden geopend voor wat hier al aanwezig is.

De H. Mis nodigt ons uit om door de sluier van het zichtbare heen te zien. En de gnostische gedachte herinnert ons eraan dat dit zien ook een innerlijk ontwaken kan zijn: het opnieuw herkennen van het Licht dat in de diepte van ons wezen naar God verwijst.

Zo wordt de H. Mis een weg van herinnering én verwachting: herinnering aan het Licht dat ons voorafgaat en verwachting van het moment waarop wij het vollediger zullen herkennen.

Niet een vlucht uit deze wereld, maar een ontwaken binnen deze wereld.
Niet het verlaten van het leven, maar het binnengaan in het diepere mysterie ervan.

Daar, in het hart van de christelijke eredienst, kan het verlangen naar de ‘andere wereld’ een nieuwe betekenis krijgen: niet als een plaats ver weg, maar als een werkelijkheid die dichterbij is dan wij denken — een werkelijkheid die zich opent wanneer wij leren zien met de ogen van de geest.